Groot nieuws in alle media: de babysterfte in Nederland ligt onaanvaardbaar hoog. Wat is er aan de hand? In Nederland begeleiden verloskundigen risicoloze bevallingen. Dat kan in het ziekenhuis, maar ook thuis. Als door de verloskundige wordt ingeschat dat de bevalling enig risico bevat, stuurt zij door naar de gynaecoloog. De bevalling vindt dan zeker in het ziekenhuis plaats.
Uit het onderzoek zijn twee schokkende feiten naar voren gekomen. In de eerste plaats blijkt dat verloskundigen lang niet altijd een goede inschatting van de risico’s kunnen maken, omdat zij niet over dezelfde middelen beschikken als een gynaecoloog in het ziekenhuis. Door dergelijke ‘missers’ ligt de babysterfte rond als risicoloos ingeschatte thuisbevallingen even hoog als de gecompliceerde bevallingen in het ziekenhuis.
Het tweede feit is dat als een moeder ergens gedurende de zwangerschap van verloskundige wordt overgedragen aan een gynaecoloog, de babysterfte liefst vier maal hoger blijkt te zijn dan bij geplande thuis- of ziekenhuisbevallingen! Dit is het gevolg van het feit dat de gynaecoloog dan een kennisachterstand over moeder en kind heeft.
En dat is misschien wel het meest trieste aan de hele berichtgeving. Dat we ieder jaar in Nederland met 400 overleden baby’s en 800 getraumatiseerde ouders worden geconfronteerd, omdat verloskundigen en gynaecologen in twee verschillende werelden lijken te werken!
Het lijkt zo gemakkelijk te vermijden: laat de gynaecologie de risico-inschatting maken, laat verloskundige en gynaecoloog beide controles uitvoeren. Als een zwangerschap met een laag risico wordt ingeschat, kan moeder thuis bevallen. Als er toch complicaties optreden gaat ze alsnog naar het ziekenhuis, waar zij bekend is bij de gynaecoloog. Waarschijnlijk zul je zien dat de babysterfte daardoor al daalt.
Beide beroepsgroepen bestaan uit intelligente mensen, dus ik maak ook eens een inschatting: dit moet toch binnen een half jaar geregeld zijn?
Posts tonen met het label column. Alle posts tonen
Posts tonen met het label column. Alle posts tonen
woensdag 10 november 2010
maandag 4 oktober 2010
Daar komt de bruid....
“Achmea is een sterke partner, De Friesland een mooie bruid”. Diana Monissen, bestuursvoorzitter van De Friesland Zorgverzekeraar, gebruikte in de Leeuwarder Courant deze vergelijking om de fusie tussen de beide verzekeraars aan te kondigen.
Heel leuk, maar vergelijkingen zijn er om doorgetrokken te worden, om te zien of ze kloppen. Wat blijkt? Er is het één en ander op de vergelijking af te dingen. Want elders verklaart Monissen dat De Friesland het alleen niet zou kunnen redden en dat schaalvergroting dus noodzakelijk is. Conclusie: het is een gedwongen huwelijk!
De bestuursvoorzitter van Achmea vertelde vrolijk bij Omrop Fryslân dat zij op deze wijze een sterke positie krijgen in Fryslân, iets wat hen zelf nooit is gelukt. Hij klinkt daarmee als een middeleeuwse graaf, die door middel van een gearrangeerd huwelijk met een adellijke dochter, de mogelijkheid ziet zijn grondgebied uit te breiden.
Hoe geloofwaardig is het als je in de financieel-economische sector fusies gaat vergelijken met een huwelijk? “Tegenvallers zijn gemakkelijker op te vangen als je premies ontvangt van vijf miljoen klanten dan van een half miljoen”, legt Monissen de LC uit. Dat klinkt niet als echte liefde, dat is een verstandshuwelijk!
De belofte van Achmea dat De Friesland als merknaam nog vijf jaar overeind blijft klinkt als een echtgenoot die belooft dit keer echt met drinken te zullen stoppen. Hoeveel vrouwen hebben na verloop van tijd de verzuchting geslaakt dat ze dachten dat ze hem wel konden veranderen als ze één keer getrouwd waren?
Nee, als dit huwelijk straks gesloten wordt en men is op het punt aangekomen dat een ieder die bezwaar heeft tegen dit huwelijk zich kan uitspreken of voor altijd dient te zwijgen, dan zal ik opstaan en zeggen: doe het niet, Diana, doe het niet!
Eerder gepubliceerd op de website van Zorgbelang Fryslân, oktober 2010
Heel leuk, maar vergelijkingen zijn er om doorgetrokken te worden, om te zien of ze kloppen. Wat blijkt? Er is het één en ander op de vergelijking af te dingen. Want elders verklaart Monissen dat De Friesland het alleen niet zou kunnen redden en dat schaalvergroting dus noodzakelijk is. Conclusie: het is een gedwongen huwelijk!
De bestuursvoorzitter van Achmea vertelde vrolijk bij Omrop Fryslân dat zij op deze wijze een sterke positie krijgen in Fryslân, iets wat hen zelf nooit is gelukt. Hij klinkt daarmee als een middeleeuwse graaf, die door middel van een gearrangeerd huwelijk met een adellijke dochter, de mogelijkheid ziet zijn grondgebied uit te breiden.
Hoe geloofwaardig is het als je in de financieel-economische sector fusies gaat vergelijken met een huwelijk? “Tegenvallers zijn gemakkelijker op te vangen als je premies ontvangt van vijf miljoen klanten dan van een half miljoen”, legt Monissen de LC uit. Dat klinkt niet als echte liefde, dat is een verstandshuwelijk!
De belofte van Achmea dat De Friesland als merknaam nog vijf jaar overeind blijft klinkt als een echtgenoot die belooft dit keer echt met drinken te zullen stoppen. Hoeveel vrouwen hebben na verloop van tijd de verzuchting geslaakt dat ze dachten dat ze hem wel konden veranderen als ze één keer getrouwd waren?
Nee, als dit huwelijk straks gesloten wordt en men is op het punt aangekomen dat een ieder die bezwaar heeft tegen dit huwelijk zich kan uitspreken of voor altijd dient te zwijgen, dan zal ik opstaan en zeggen: doe het niet, Diana, doe het niet!
Eerder gepubliceerd op de website van Zorgbelang Fryslân, oktober 2010
vrijdag 1 oktober 2010
Zes uur en vierenvijftig minuten
“Tot twee keer toe is de operatie niet goed gegaan. Nou ja, waar gewerkt wordt, worden fouten gemaakt. Nu krijgen wij zes uur en vierenvijftig minuten (6.54) hulp. Bij herindicatie wordt de hulp minder”.
Dit schreef iemand uit Fryslân op een formuliertje van Zorgbelang Fryslân, over de Wmo zorg die hij of zij ontvangt. Geen idee wie het is, een hij of een zij, jong of oud, geen idee. Er spreekt wel een wereld van zorg tussen de regels door: ja er is van alles mis gegaan, (5.18)maar ja. Het wordt allemaal ook niet beter, maar wat doe je er aan? Het lijkt een doorsnee reactie van iemand die zorg krijgt.
Wat mij altijd (4.43)weer boven op de kast krijgt is zo’n indicatie tot op de minuut. Wie bedenkt zoiets. Hoe komt zoiets tot stand? Wordt daarover vergaderd? Is er in zo’n vergadering dan echt discussie over de vraag of een bepaald pakket aan huishoudelijke (4.09) hulp in zes uur en drieënvijftig, vierenvijftig of vijfenvijftig minuten kan plaatsvinden?
“Voorzitter, gezien het feit dat stofzuigerzakken tegenwoordig zo worden gefabriceerd dat ze nog eenvoudiger in (3.27) de stofzuiger te plaatsen zijn, lijkt het mij wenselijk de tijd die de verzorgende aan het stofzuigen kan besteden, met een minuut terug te brengen.”
(2.18)
Zijn er laboratoria waar wetenschappers met de stopwatch in de hand, proefondervindelijk uitvinden hoe lang een groep verzorgenden (1.04) gemiddeld doet over een bepaalde handeling? Worden deze gegevens verzameld door een ambtenaar van VWS en doorgegeven aan indicatiestellers met de opdracht van de door de wetenschappers bepaalde tijd, tien procent efficiencykorting af te schrapen?
En het mooiste komt nog! Als er dan verzorgenden ... (0.10)
Oh, jammer, de tijd is op.
Eerder gepubliceerd op de website van Zorgbelang Fryslân, september 2010
Dit schreef iemand uit Fryslân op een formuliertje van Zorgbelang Fryslân, over de Wmo zorg die hij of zij ontvangt. Geen idee wie het is, een hij of een zij, jong of oud, geen idee. Er spreekt wel een wereld van zorg tussen de regels door: ja er is van alles mis gegaan, (5.18)maar ja. Het wordt allemaal ook niet beter, maar wat doe je er aan? Het lijkt een doorsnee reactie van iemand die zorg krijgt.
Wat mij altijd (4.43)weer boven op de kast krijgt is zo’n indicatie tot op de minuut. Wie bedenkt zoiets. Hoe komt zoiets tot stand? Wordt daarover vergaderd? Is er in zo’n vergadering dan echt discussie over de vraag of een bepaald pakket aan huishoudelijke (4.09) hulp in zes uur en drieënvijftig, vierenvijftig of vijfenvijftig minuten kan plaatsvinden?
“Voorzitter, gezien het feit dat stofzuigerzakken tegenwoordig zo worden gefabriceerd dat ze nog eenvoudiger in (3.27) de stofzuiger te plaatsen zijn, lijkt het mij wenselijk de tijd die de verzorgende aan het stofzuigen kan besteden, met een minuut terug te brengen.”
(2.18)
Zijn er laboratoria waar wetenschappers met de stopwatch in de hand, proefondervindelijk uitvinden hoe lang een groep verzorgenden (1.04) gemiddeld doet over een bepaalde handeling? Worden deze gegevens verzameld door een ambtenaar van VWS en doorgegeven aan indicatiestellers met de opdracht van de door de wetenschappers bepaalde tijd, tien procent efficiencykorting af te schrapen?
En het mooiste komt nog! Als er dan verzorgenden ... (0.10)
Oh, jammer, de tijd is op.
Eerder gepubliceerd op de website van Zorgbelang Fryslân, september 2010
donderdag 30 september 2010
Bakerpraatjes
Ze lag al uren op de verloskamer, maar de bevalling kwam maar niet op gang. De gynaecoloog krabde zich achter het oor. Er zat volgens hem niets anders op dan een vacuümpomp op het hoofdje te plaatsen en de baby op die manier te halen. De verpleegkundige haalde de pomp en ketting al tevoorschijn.
Bij de uitgeputte moeder schoten twee dingen door het hoofd: in de eerste plaats haar eerste bevalling die uitmondde in een succesvolle keizersnede. In de tweede plaats de ervaring van haar collega, die enkele weken daarvoor bevallen was van een dochter die ook met een vacuümpomp gehaald was, maar daarbij was de huid van haar hoofdje wel losgescheurd. Dat nooit! Ze vroeg om een keizersnede.
Natuurlijk was dat ook een optie, zei de gynaecoloog, als mevrouw zich maar wel realiseerde dat de risico’s van zo’n operatie wel groter waren. En dus volgde een tweede, eveneens succesvolle, operatie. Moeder blij, gynaecoloog tevreden en zoontje kerngezond.
Ik moest aan dat verhaal denken toen ik hoorde over de hoge babysterfte in Nederland in het algemeen en het noorden in het bijzonder. In Nederland sterven jaarlijks zo’n zeventienhonderd pasgeborenen en dat is in verhouding bijvoorbeeld al anderhalf keer zoveel als in België.
De oorzaak daarvan ligt niet in de professionaliteit van verloskundigen, gynaecologen of kraamverzorgenden. De oorzaak ligt vaak bij het systeem. Uit onderzoek van het Erasmus MC is gebleken dat in een kwart (!) van de zwangerschappen risicofactoren niet herkend worden.
Gealarmeerd door deze berichten, zijn de Friese gynaecologen om de tafel gegaan en hebben een aantal verbeterpunten voorgesteld. Beter overleg met verloskundigen en een elektronisch beschikbaar dossier. Verder zou er een dikke streep moeten komen door de gesprekken over mogelijke sluiting van enkele kraamafdelingen in Fryslân.
Zorgbelang Fryslân staat daar volledig achter en wil daar zelfs nog wel iets aan toevoegen. Want na alle onderzoekers, Kamerleden, belangenverenigingen van verloskundigen en gynaecologen, is er één geluid dat we nog niet hebben gehoord. Luister – net als in het voorbeeld aan het begin van dit verhaal – ook naar de moeders.
In de eerste plaats door hun bevindingen ook mee te nemen in de plannenmakerij. Gebruik de ervaringen van moeders met verloskundigen en gynaecologen. Een producent zal nooit een nieuw potje pindakaas op de markt brengen, zonder dat proefpanels een oordeel hebben gegeven. Waarom zullen we dan wel de verloskundige zorg in dit land op de schop nemen, zonder dat we moeders vragen naar hun mening en
ervaringen?
In de tweede plaats pleit Zorgbelang Fryslân voor een regelmatig contact van aanstaande moeders met een gynaecoloog. Bijvoorbeeld drie keer in de loop van een zwangerschap. Door de toenemende medicalisering van de zorg worden vrouwen onzekerder over thuisbevallingen. Onderzoek A wijst de ene kant op, onderzoek B een andere kant. Familie en vrienden hebben allerhande tegenstrijdige adviezen en tijschriften en websites overladen hen met informatie. Niet voor niets is de Nederlandse taal verrijkt met het woord bakerpraatjes.
Ondertussen blijkt de inschatting van de risico’s een zwak punt in de Nederlandse verloskundige zorg. Laten we dus beginnen bij het begin, rust creëren tussen al het geweld van de informatiestromen en beginnen met luisteren, gewoon luisteren naar wat de aanstaande moeder heeft te vertellen.
Eerder gepubliceerd in patiëntenmagazine De Wachtkamer, editie Fryslân, september 2010
Bij de uitgeputte moeder schoten twee dingen door het hoofd: in de eerste plaats haar eerste bevalling die uitmondde in een succesvolle keizersnede. In de tweede plaats de ervaring van haar collega, die enkele weken daarvoor bevallen was van een dochter die ook met een vacuümpomp gehaald was, maar daarbij was de huid van haar hoofdje wel losgescheurd. Dat nooit! Ze vroeg om een keizersnede.
Natuurlijk was dat ook een optie, zei de gynaecoloog, als mevrouw zich maar wel realiseerde dat de risico’s van zo’n operatie wel groter waren. En dus volgde een tweede, eveneens succesvolle, operatie. Moeder blij, gynaecoloog tevreden en zoontje kerngezond.
Ik moest aan dat verhaal denken toen ik hoorde over de hoge babysterfte in Nederland in het algemeen en het noorden in het bijzonder. In Nederland sterven jaarlijks zo’n zeventienhonderd pasgeborenen en dat is in verhouding bijvoorbeeld al anderhalf keer zoveel als in België.
De oorzaak daarvan ligt niet in de professionaliteit van verloskundigen, gynaecologen of kraamverzorgenden. De oorzaak ligt vaak bij het systeem. Uit onderzoek van het Erasmus MC is gebleken dat in een kwart (!) van de zwangerschappen risicofactoren niet herkend worden.
Gealarmeerd door deze berichten, zijn de Friese gynaecologen om de tafel gegaan en hebben een aantal verbeterpunten voorgesteld. Beter overleg met verloskundigen en een elektronisch beschikbaar dossier. Verder zou er een dikke streep moeten komen door de gesprekken over mogelijke sluiting van enkele kraamafdelingen in Fryslân.
Zorgbelang Fryslân staat daar volledig achter en wil daar zelfs nog wel iets aan toevoegen. Want na alle onderzoekers, Kamerleden, belangenverenigingen van verloskundigen en gynaecologen, is er één geluid dat we nog niet hebben gehoord. Luister – net als in het voorbeeld aan het begin van dit verhaal – ook naar de moeders.
In de eerste plaats door hun bevindingen ook mee te nemen in de plannenmakerij. Gebruik de ervaringen van moeders met verloskundigen en gynaecologen. Een producent zal nooit een nieuw potje pindakaas op de markt brengen, zonder dat proefpanels een oordeel hebben gegeven. Waarom zullen we dan wel de verloskundige zorg in dit land op de schop nemen, zonder dat we moeders vragen naar hun mening en
ervaringen?
In de tweede plaats pleit Zorgbelang Fryslân voor een regelmatig contact van aanstaande moeders met een gynaecoloog. Bijvoorbeeld drie keer in de loop van een zwangerschap. Door de toenemende medicalisering van de zorg worden vrouwen onzekerder over thuisbevallingen. Onderzoek A wijst de ene kant op, onderzoek B een andere kant. Familie en vrienden hebben allerhande tegenstrijdige adviezen en tijschriften en websites overladen hen met informatie. Niet voor niets is de Nederlandse taal verrijkt met het woord bakerpraatjes.
Ondertussen blijkt de inschatting van de risico’s een zwak punt in de Nederlandse verloskundige zorg. Laten we dus beginnen bij het begin, rust creëren tussen al het geweld van de informatiestromen en beginnen met luisteren, gewoon luisteren naar wat de aanstaande moeder heeft te vertellen.
Eerder gepubliceerd in patiëntenmagazine De Wachtkamer, editie Fryslân, september 2010
maandag 19 april 2010
Dokterswacht: altijd eerst even bellen....
“Het wijkt”. Ik weet niet of het Algemeen Beschaafd Nederlands is, maar bij ons in de familie wordt het gebruikt om een wond te beschrijven, waarbij de huid dusdanig is geopend dat een hechting noodzakelijk lijkt.
“Het wijkt”, zegt mijn neef terwijl hij de wond op het voorhoofd van mijn tweejarige zoontje bekijkt. Als zijn vrouw en mijn vriendin geschrokken de keuken binnengekomen zijn, is hun conclusie snel getrokken: “het wijkt”.
Iedere ouder heeft het wel eens meegemaakt, je kind dat een gat in het hoofd valt. Mijn zoontje dacht op die zondag dat hij de laatste tree van de ladder uit de boomhut bereikt had en draaide zich om om voet op vaste grond te zetten. Die grond was echter nog een tree verder naar beneden. Met een zwaai zag ik hem met zijn hoofd op de rand van een bloempot vallen.
Ik probeer doortastend op te treden. “We gaan naar de Dokterswacht, want het wijkt. Als jullie naar de Dokterswacht bellen, rijden wij er vast naar toe”.
“U had eerst even moeten bellen”, zegt de dame achter de balie van de Dokterswacht.
“Maar er is toch gebeld, door onze vrienden?”
“Ja, maar dat is niet de bedoeling. U moet eerst bellen en dan kunnen wij u instructies geven. Het kan bijvoorbeeld zijn dat het heel druk is en dat we u vragen iets later te komen”.
Even weet ik niets te zeggen. Ik ben niet van het type dat stennis schopt in een ziekenhuis en verder ben ik van deze mensen afhankelijk. Mijn zoontje heeft een hechting nodig. Het laatste wat ik nu wil is een doktersassistente tegen de haren instrijken. Het enige dat ik er tegen in weet te brengen is een voorzichtig “maar het wijkt”.
Ik ben niet vaak bij de Dokterswacht, maar iedere keer dat ik er ben is de wachtkamer vol. Ook deze keer. Toch zitten we nog maar net als we tot opluchting van onszelf en irritatie van anderen, direct binnengeroepen worden.
Ik zie daarin erkenning van de Dokterswacht dat het goed is dat we direct gekomen zijn. Een peuter met een bloedend hoofd laat je niet wachten. Dat heb ik toch maar goed ingeschat. En daarbij, het wijkt.
De Dokterswacht bezwijkt onder haar eigen succes. Zoveel mensen bezoeken in de avond, nacht en het weekend de Dokterswacht, dat men een publiekscampagne gestart is. De Dokterswacht is er volgens de TV-spotjes alleen voor zaken die niet kunnen wachten tot de eigen huisarts weer bereikbaar is. En: altijd eerst even bellen.
Lastig hoor. In andere onderdelen van de gezondheidszorg wordt bevorderd dat mensen bewust kiezen voor hulpverleners die goede kwaliteit leveren. Niet tevreden over uw zorgverzekeraar? Stem met uw voeten en ga naar een ander. De meest ervaren oogarts werkt in een ziekenhuis vijftig kilometer verderop? Dan laat u het ziekenhuis om de hoek toch mooi links liggen?
De mogelijkheid is er wel, maar er wordt niet veel gebruik van gemaakt. Ieder jaar stapt slechts een handjevol mensen over naar een andere zorgverzekeraar en de meeste mensen laten zich gewoon opereren in het ziekenhuis om de hoek.
Nee, dan de huisartsenzorg. Daar hebben patiënten een duidelijk signaal gegeven: ze willen een huisartsenzorg à la de Dokterswacht, maar wat krijgen we er voor terug? Een publiekscampagne om patiënten op afstand te houden. Om een kloof in stand te houden.
Of, zoals we dat bij ons in de familie zouden zeggen: “het wijkt”.
Eerder gepubliceerd in Dialoog, tijdschrift van De Friesland Zorgverzekeraar
“Het wijkt”, zegt mijn neef terwijl hij de wond op het voorhoofd van mijn tweejarige zoontje bekijkt. Als zijn vrouw en mijn vriendin geschrokken de keuken binnengekomen zijn, is hun conclusie snel getrokken: “het wijkt”.
Iedere ouder heeft het wel eens meegemaakt, je kind dat een gat in het hoofd valt. Mijn zoontje dacht op die zondag dat hij de laatste tree van de ladder uit de boomhut bereikt had en draaide zich om om voet op vaste grond te zetten. Die grond was echter nog een tree verder naar beneden. Met een zwaai zag ik hem met zijn hoofd op de rand van een bloempot vallen.
Ik probeer doortastend op te treden. “We gaan naar de Dokterswacht, want het wijkt. Als jullie naar de Dokterswacht bellen, rijden wij er vast naar toe”.
“U had eerst even moeten bellen”, zegt de dame achter de balie van de Dokterswacht.
“Maar er is toch gebeld, door onze vrienden?”
“Ja, maar dat is niet de bedoeling. U moet eerst bellen en dan kunnen wij u instructies geven. Het kan bijvoorbeeld zijn dat het heel druk is en dat we u vragen iets later te komen”.
Even weet ik niets te zeggen. Ik ben niet van het type dat stennis schopt in een ziekenhuis en verder ben ik van deze mensen afhankelijk. Mijn zoontje heeft een hechting nodig. Het laatste wat ik nu wil is een doktersassistente tegen de haren instrijken. Het enige dat ik er tegen in weet te brengen is een voorzichtig “maar het wijkt”.
Ik ben niet vaak bij de Dokterswacht, maar iedere keer dat ik er ben is de wachtkamer vol. Ook deze keer. Toch zitten we nog maar net als we tot opluchting van onszelf en irritatie van anderen, direct binnengeroepen worden.
Ik zie daarin erkenning van de Dokterswacht dat het goed is dat we direct gekomen zijn. Een peuter met een bloedend hoofd laat je niet wachten. Dat heb ik toch maar goed ingeschat. En daarbij, het wijkt.
De Dokterswacht bezwijkt onder haar eigen succes. Zoveel mensen bezoeken in de avond, nacht en het weekend de Dokterswacht, dat men een publiekscampagne gestart is. De Dokterswacht is er volgens de TV-spotjes alleen voor zaken die niet kunnen wachten tot de eigen huisarts weer bereikbaar is. En: altijd eerst even bellen.
Lastig hoor. In andere onderdelen van de gezondheidszorg wordt bevorderd dat mensen bewust kiezen voor hulpverleners die goede kwaliteit leveren. Niet tevreden over uw zorgverzekeraar? Stem met uw voeten en ga naar een ander. De meest ervaren oogarts werkt in een ziekenhuis vijftig kilometer verderop? Dan laat u het ziekenhuis om de hoek toch mooi links liggen?
De mogelijkheid is er wel, maar er wordt niet veel gebruik van gemaakt. Ieder jaar stapt slechts een handjevol mensen over naar een andere zorgverzekeraar en de meeste mensen laten zich gewoon opereren in het ziekenhuis om de hoek.
Nee, dan de huisartsenzorg. Daar hebben patiënten een duidelijk signaal gegeven: ze willen een huisartsenzorg à la de Dokterswacht, maar wat krijgen we er voor terug? Een publiekscampagne om patiënten op afstand te houden. Om een kloof in stand te houden.
Of, zoals we dat bij ons in de familie zouden zeggen: “het wijkt”.
Eerder gepubliceerd in Dialoog, tijdschrift van De Friesland Zorgverzekeraar
Labels:
column,
de friesland zorgverzekeraar,
dialoog
Selectieve zorginkoop, ik zeg: doen!
Al sinds enkele jaren werken De Friesland Zorgverzekeraar en Zorgbelang Fryslân samen op het gebied van de zorginkoop. Zorgbelang Fryslân denkt mee over speerpunten in het inkoopbeleid en samen met De Friesland worden patiënten en cliënten hierop bevraagd.
Toch gaat er ergens iets mis. Er is een vreemde kronkel in het zorginkoopbeleid waar niet alleen De Friesland, maar iedere zorgverzekeraar zich schuldig aan maakt. Iedere arts, paramedicus of thuiszorginstelling weet van tevoren eigenlijk al dat de zorgverzekeraar, cq. het zorgkantoor ook het komend jaar weer geld zal ophoesten.
Dat zit zo: het is voor een zorgverzekeraar niet aantrekkelijk om te zeggen dat hij in het komend jaar geen contract zal afsluiten met bijvoorbeeld een huisarts. De patiënten van die huisarts die bij De Friesland verzekerd zijn, zouden rap een andere verzekeraar opzoeken, want je wisselt nu eenmaal sneller van verzekeraar dan van huisarts.
Voordat een zorgverzekeraar een aanbieder een contract opzegt, moet deze het dus wel heel bont maken. Ik ken daarvan eigenlijk maar één voorbeeld: een tandarts die onder invloed van drank zulk slecht werk leverde, dat de Friesland het contract met hem beëindigde. Dit is echter ook al weer heel wat jaartjes geleden.
Toch is het idee heel aantrekkelijk. De aanbieders die niet de hoogste kwaliteit leveren, krijgen een waarschuwing. Verbeteren zij hun werk niet, dan krijgen ze het jaar daarop geen vergoedingen meer. Op die manier verbindt zich een klantenbestand aan de zorgverzekeraar dat verzekerd is van de kwalitatief hoogst-staande zorg.
Dergelijke selectieve zorginkoop is slechts op beperkte schaal praktijk. Iets hogere of lagere vergoeding bij iets betere of iets mindere kwaliteit. Dat is ook de uitkomst van het geschil tussen De Friesland Zorgverzekeraar en Hans Anders. De Friesland stelde inkoopvoorwaarden waar de leverancier van hoortoestellen niet aan kon of wilde voldoen en er moest een rechter aan te pas komen om de korting van 20% op de vergoedingen goed te keuren. Een ontwikkeling die wat Zorgbelang Fryslân betreft nog niet ten einde is.
Ik maak me echter wel zorgen om het feit dat cataract-operaties door De Friesland Zorgverzekeraar liefst in de ziekenhuizen van Assen en Hoogeveen uitgevoerd worden. Door ziekenhuizen zich te laten specialiseren, hoopt De Friesland efficiency en dus lagere kosten te bereiken. Wie zich in deze ziekenhuizen laat behandelen, hoeft geen eigen risico te betalen, dat komt voor rekening van de zorgverzekeraar. Helaas was die rit voor mijn grootmoeder van bijna negentig niet te doen. Zij ziet dus haar eigen risico in rekening gebracht, waar een jonger, mobieler en wellicht draagkrachtiger persoon een leuk meevallertje heeft.
Onderzoek van de Klantenmonitor Zorgverzekeringen wees in april jl. uit dat 98% van de verzekerden bij De Friesland wil blijven, 94% wil De Friesland bij anderen aanbevelen. De Friesland heeft het meest trouwe verzekerdenbestand! Van harte gefeliciteerd! Dit is een goede reden om met een strengere selectieve zorginkoop verder te gaan, want als er één zorgverzekeraar is die blijkbaar niet bang hoeft te zijn voor weglopende verzekerden, is het De Friesland wel.
Eerder gepubliceerd in Dialoog, tijdschrift van De Friesland Zorgverzekeraar
Toch gaat er ergens iets mis. Er is een vreemde kronkel in het zorginkoopbeleid waar niet alleen De Friesland, maar iedere zorgverzekeraar zich schuldig aan maakt. Iedere arts, paramedicus of thuiszorginstelling weet van tevoren eigenlijk al dat de zorgverzekeraar, cq. het zorgkantoor ook het komend jaar weer geld zal ophoesten.
Dat zit zo: het is voor een zorgverzekeraar niet aantrekkelijk om te zeggen dat hij in het komend jaar geen contract zal afsluiten met bijvoorbeeld een huisarts. De patiënten van die huisarts die bij De Friesland verzekerd zijn, zouden rap een andere verzekeraar opzoeken, want je wisselt nu eenmaal sneller van verzekeraar dan van huisarts.
Voordat een zorgverzekeraar een aanbieder een contract opzegt, moet deze het dus wel heel bont maken. Ik ken daarvan eigenlijk maar één voorbeeld: een tandarts die onder invloed van drank zulk slecht werk leverde, dat de Friesland het contract met hem beëindigde. Dit is echter ook al weer heel wat jaartjes geleden.
Toch is het idee heel aantrekkelijk. De aanbieders die niet de hoogste kwaliteit leveren, krijgen een waarschuwing. Verbeteren zij hun werk niet, dan krijgen ze het jaar daarop geen vergoedingen meer. Op die manier verbindt zich een klantenbestand aan de zorgverzekeraar dat verzekerd is van de kwalitatief hoogst-staande zorg.
Dergelijke selectieve zorginkoop is slechts op beperkte schaal praktijk. Iets hogere of lagere vergoeding bij iets betere of iets mindere kwaliteit. Dat is ook de uitkomst van het geschil tussen De Friesland Zorgverzekeraar en Hans Anders. De Friesland stelde inkoopvoorwaarden waar de leverancier van hoortoestellen niet aan kon of wilde voldoen en er moest een rechter aan te pas komen om de korting van 20% op de vergoedingen goed te keuren. Een ontwikkeling die wat Zorgbelang Fryslân betreft nog niet ten einde is.
Ik maak me echter wel zorgen om het feit dat cataract-operaties door De Friesland Zorgverzekeraar liefst in de ziekenhuizen van Assen en Hoogeveen uitgevoerd worden. Door ziekenhuizen zich te laten specialiseren, hoopt De Friesland efficiency en dus lagere kosten te bereiken. Wie zich in deze ziekenhuizen laat behandelen, hoeft geen eigen risico te betalen, dat komt voor rekening van de zorgverzekeraar. Helaas was die rit voor mijn grootmoeder van bijna negentig niet te doen. Zij ziet dus haar eigen risico in rekening gebracht, waar een jonger, mobieler en wellicht draagkrachtiger persoon een leuk meevallertje heeft.
Onderzoek van de Klantenmonitor Zorgverzekeringen wees in april jl. uit dat 98% van de verzekerden bij De Friesland wil blijven, 94% wil De Friesland bij anderen aanbevelen. De Friesland heeft het meest trouwe verzekerdenbestand! Van harte gefeliciteerd! Dit is een goede reden om met een strengere selectieve zorginkoop verder te gaan, want als er één zorgverzekeraar is die blijkbaar niet bang hoeft te zijn voor weglopende verzekerden, is het De Friesland wel.
Eerder gepubliceerd in Dialoog, tijdschrift van De Friesland Zorgverzekeraar
Labels:
column,
de friesland zorgverzekeraar,
dialoog
Plezierzorg
De kogel is door de kerk! De staatssecretaris heeft de knoop doorgehakt en besloten de regels voor indicatiestelling in de AWBZ te versoepelen. Dat is mooi.
Dat betekent dat mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking niet langer om de drie jaar hoeven aan te tonen dat ze lichamelijk of verstandelijk beperkt zijn. Als je dat één keer bent, dan blijf je dat in de meeste gevallen, heeft men op het ministerie van VWS ontdekt.
Ook mensen met een progressieve aandoening, hoeven niet iedere keer dat hun situatie is verslechterd direct de telefoon op te pakken en het CIZ te bellen met de mededeling dat het weer een stukje slechter gaat. In veel gevallen is zo’n ziekteverloop aardig te voorspellen.
Als eenvoudig burger vraag je je toch af hoe zoiets ooit tot stand is gekomen. Als ik de ambtelijke mores van Den Haag een beetje ken, is de regelgeving rond de indicatiestelling voorbereid door een werkgroep. Liefst een gecombineerde werkgroep van ambtenaren en deskundigen uit het veld. Bij beleidsmatige bloedarmoede of gecompliceerde zaken, kiest een departement al gauw voor het “outsourcen” van dergelijke klussen.
Vervolgens wordt er vergaderd. Waar ik dan naar benieuwd ben is het moment waarop iemand voorstelt mensen met een verstandelijke beperking om de paar jaar opnieuw te indiceren. Hoe is daar in de werkgroep op gereageerd? Applaus of instemmend geknik, of heeft iemand een kritische vraag gesteld?
Ooit moet er een staatssecretaris zijn geweest die het advies regelgeving indicatiestelling aangeboden heeft gekregen. Zijn er toen vragen gesteld? Misschien heeft de toenmalige staatssecretaris inderdaad wel vragen gesteld: “moet dat nou zo, mensen met een progressieve ziekte keer op keer opnieuw indiceren?”
Sinds kort weten we het antwoord dat op die vraag van de staatssecretaris gegeven is (de Volkskrant, 6 november 2009). De ambtenaar die het voorstel met de staatssecretaris besprak, zei: “het gaat er om dat er risico bestaat dat iemand voor zijn plezier zorg vraagt, of iets extra’s probeert binnen te halen”.
“Maar”, sputterde de staatssecretaris wellicht tegen, “er zijn toch genoeg hulpverleners om zo’n cliënt heen die dat zien, als iemand voor zijn plezier zorg aanvraagt?”
De ambtenaar zal mismoedig het hoofd geschud hebben. Van politici hebben ze over het algemeen geen hoge dunk, maar een staatssecretaris die zulke vragen stelt, begrijpt niets van de Haagse stolp waaronder de ivoren toren zich bevindt.
“Wij wantrouwen de zorgverlener, ook wanneer de kans op misbruik gering is.”
Er breken gouden tijden aan. Alles wordt anders. De zorgverleners worden weer vertrouwd en het wordt weer mogelijk om voor je plezier zorg aan te vragen. Ik heb grootse plannen. Ik heb mijn apotheker al gevraagd of hij niet wat leuke pillen weet, liefst hallucinerend. Samen met de wijkzuster ga ik een scootmobiel uitzoeken om lekker te kunnen joyriden. De klapper is echter dat ik voor mijn plezier een opname in een psychiatrische inrichting ga aanvragen, maar dan wel inclusief 48 uur in een isoleercel, anders is het niet leuk meer.
Eerder gepubliceerd in Dialoog, tijdschrift van De Friesland Zorgverzekeraar
Dat betekent dat mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking niet langer om de drie jaar hoeven aan te tonen dat ze lichamelijk of verstandelijk beperkt zijn. Als je dat één keer bent, dan blijf je dat in de meeste gevallen, heeft men op het ministerie van VWS ontdekt.
Ook mensen met een progressieve aandoening, hoeven niet iedere keer dat hun situatie is verslechterd direct de telefoon op te pakken en het CIZ te bellen met de mededeling dat het weer een stukje slechter gaat. In veel gevallen is zo’n ziekteverloop aardig te voorspellen.
Als eenvoudig burger vraag je je toch af hoe zoiets ooit tot stand is gekomen. Als ik de ambtelijke mores van Den Haag een beetje ken, is de regelgeving rond de indicatiestelling voorbereid door een werkgroep. Liefst een gecombineerde werkgroep van ambtenaren en deskundigen uit het veld. Bij beleidsmatige bloedarmoede of gecompliceerde zaken, kiest een departement al gauw voor het “outsourcen” van dergelijke klussen.
Vervolgens wordt er vergaderd. Waar ik dan naar benieuwd ben is het moment waarop iemand voorstelt mensen met een verstandelijke beperking om de paar jaar opnieuw te indiceren. Hoe is daar in de werkgroep op gereageerd? Applaus of instemmend geknik, of heeft iemand een kritische vraag gesteld?
Ooit moet er een staatssecretaris zijn geweest die het advies regelgeving indicatiestelling aangeboden heeft gekregen. Zijn er toen vragen gesteld? Misschien heeft de toenmalige staatssecretaris inderdaad wel vragen gesteld: “moet dat nou zo, mensen met een progressieve ziekte keer op keer opnieuw indiceren?”
Sinds kort weten we het antwoord dat op die vraag van de staatssecretaris gegeven is (de Volkskrant, 6 november 2009). De ambtenaar die het voorstel met de staatssecretaris besprak, zei: “het gaat er om dat er risico bestaat dat iemand voor zijn plezier zorg vraagt, of iets extra’s probeert binnen te halen”.
“Maar”, sputterde de staatssecretaris wellicht tegen, “er zijn toch genoeg hulpverleners om zo’n cliënt heen die dat zien, als iemand voor zijn plezier zorg aanvraagt?”
De ambtenaar zal mismoedig het hoofd geschud hebben. Van politici hebben ze over het algemeen geen hoge dunk, maar een staatssecretaris die zulke vragen stelt, begrijpt niets van de Haagse stolp waaronder de ivoren toren zich bevindt.
“Wij wantrouwen de zorgverlener, ook wanneer de kans op misbruik gering is.”
Er breken gouden tijden aan. Alles wordt anders. De zorgverleners worden weer vertrouwd en het wordt weer mogelijk om voor je plezier zorg aan te vragen. Ik heb grootse plannen. Ik heb mijn apotheker al gevraagd of hij niet wat leuke pillen weet, liefst hallucinerend. Samen met de wijkzuster ga ik een scootmobiel uitzoeken om lekker te kunnen joyriden. De klapper is echter dat ik voor mijn plezier een opname in een psychiatrische inrichting ga aanvragen, maar dan wel inclusief 48 uur in een isoleercel, anders is het niet leuk meer.
Eerder gepubliceerd in Dialoog, tijdschrift van De Friesland Zorgverzekeraar
Labels:
column,
de friesland zorgverzekeraar,
dialoog
zondag 18 april 2010
Gewoon, mensen beter maken
Hans Feenstra heeft jarenlang De Friesland Zorgverzekeraar geleid, maar lijkt terug te keren naar zijn oude liefde: de oud-internist gaat terug naar het ziekenhuis. Hij wordt directeur van het Groninger Martini Ziekenhuis.
Het is een stap die ik wel begrijp. Natuurlijk is het mooi om op die honderden miljoenen euro’s aan premies en bijdragen te kunnen zitten, maar het is en het blijft natuurlijk bureaucratisch werk. Ploeteren met custodianactiviteiten (effectenwaarneming), TR*IM-Index (heel belangrijk, het meet de loyaliteit van je klanten) en Asset Liability Management, whatever that may be.
Dan is het eerlijke ziekenhuiswerk toch aantrekkelijker. Gewoon mensen beter maken, dat is waar het om draait. De patiënt komt ziek binnen, gaat naar een specialist, wordt behandeld, geopereerd, verpleegd en loopt gezond het ziekenhuis weer uit. Mooier kan het bijna niet.
Hoewel het voor een patiënt altijd naar is om een ziekenhuis te moeten bezoeken, hebben ziekenhuizen ook wel iets romantisch. Ik kan me herinneren hoe ik ’s nachts door het Bonifatius Hospitaal liep te pendelen tussen de afdelingen verloskunde waar mijn vriendin lag en neo-natologie, waar mijn dochtertje werd verzorgd. Als moeder en kind een paar dagen in het ziekenhuis blijven, wordt het voor de vader ook een beetje een thuis.
Soms kwam je in het Bonnehos nog een non tegen. Dat gaf zelfs de grootste heiden een vertrouwd gevoel. Ze straalden iets uit. Rust. Als je een zuster was tegengekomen, dan wist je, het komt wel weer goed. De zusters laten je niet in de steek, ben je mal!
De zusters hadden toen al een belangrijke functie voor wat we nu patiënttevredenheid zijn gaan noemen. Wat voor rol ze verder hadden weet ik niet. Ik heb ze nooit aan het bed gezien. Volgens mij liepen ze alleen maar rondjes door het gebouw om patiënten een gevoel van zekerheid, rust en veiligheid te geven.
Echter, ook de ziekenhuizen zijn niet meer wat ze geweest zijn. Het zijn health-factory’s geworden, waar DBC’s de smeerolie zijn. Door specialisaties te kiezen, wordt operaties zo ongeveer aan de lopende band uitgevoerd. De nonnen zijn verdwenen, de kwaliteitsmanagers hebben hun intrede gedaan. Dat is geen verbetering geweest. Nog nooit is de kwaliteit van de ziekenhuiszorg zo belabberd geweest. Smerige lucht op operatiekamers, slechte informatie uitwisseling tussen het operatie-team voorafgaande aan de operatie, duizenden fouten in de medicatietoediening en de Intensive Care-zorg laat te wensen over. Kijk op de website van de Inspectie Gezondheidszorg en huiver!
Daarom is het goed dat Hans Feenstra weer terug gaat naar het eerlijke ziekenhuiswerk. Mooi werk! Het Groninger Martini Ziekenhuis nog wel, dat is ontstaan uit een fusie van het Diaconessenhuis en het Rooms Katholieke Ziekenhuis. Wat een traditie, wat een historie, wat een kansen!
Als ik mij een advies mag verstouten, dan wist ik het wel. Geachte heer Feenstra, beste Hans: trap niet in de val die marktwerking heet, maar hou vast aan dat credo Gewoon Mensen Beter Maken. Ga geen strategische beleidsvisies ontwikkelen, ga niet fuseren, ga niet specialiseren, maar schop de kwaliteitsmanagers er uit en laat een handvol nonnen rondjes lopen door het gebouw. Binnen de kortste keren sta je bovenaan de AD-lijst!
Eerder gebpubliceerd in Dialoog, tijdschrift van De Friesland Zorgverzekeraar
Het is een stap die ik wel begrijp. Natuurlijk is het mooi om op die honderden miljoenen euro’s aan premies en bijdragen te kunnen zitten, maar het is en het blijft natuurlijk bureaucratisch werk. Ploeteren met custodianactiviteiten (effectenwaarneming), TR*IM-Index (heel belangrijk, het meet de loyaliteit van je klanten) en Asset Liability Management, whatever that may be.
Dan is het eerlijke ziekenhuiswerk toch aantrekkelijker. Gewoon mensen beter maken, dat is waar het om draait. De patiënt komt ziek binnen, gaat naar een specialist, wordt behandeld, geopereerd, verpleegd en loopt gezond het ziekenhuis weer uit. Mooier kan het bijna niet.
Hoewel het voor een patiënt altijd naar is om een ziekenhuis te moeten bezoeken, hebben ziekenhuizen ook wel iets romantisch. Ik kan me herinneren hoe ik ’s nachts door het Bonifatius Hospitaal liep te pendelen tussen de afdelingen verloskunde waar mijn vriendin lag en neo-natologie, waar mijn dochtertje werd verzorgd. Als moeder en kind een paar dagen in het ziekenhuis blijven, wordt het voor de vader ook een beetje een thuis.
Soms kwam je in het Bonnehos nog een non tegen. Dat gaf zelfs de grootste heiden een vertrouwd gevoel. Ze straalden iets uit. Rust. Als je een zuster was tegengekomen, dan wist je, het komt wel weer goed. De zusters laten je niet in de steek, ben je mal!
De zusters hadden toen al een belangrijke functie voor wat we nu patiënttevredenheid zijn gaan noemen. Wat voor rol ze verder hadden weet ik niet. Ik heb ze nooit aan het bed gezien. Volgens mij liepen ze alleen maar rondjes door het gebouw om patiënten een gevoel van zekerheid, rust en veiligheid te geven.
Echter, ook de ziekenhuizen zijn niet meer wat ze geweest zijn. Het zijn health-factory’s geworden, waar DBC’s de smeerolie zijn. Door specialisaties te kiezen, wordt operaties zo ongeveer aan de lopende band uitgevoerd. De nonnen zijn verdwenen, de kwaliteitsmanagers hebben hun intrede gedaan. Dat is geen verbetering geweest. Nog nooit is de kwaliteit van de ziekenhuiszorg zo belabberd geweest. Smerige lucht op operatiekamers, slechte informatie uitwisseling tussen het operatie-team voorafgaande aan de operatie, duizenden fouten in de medicatietoediening en de Intensive Care-zorg laat te wensen over. Kijk op de website van de Inspectie Gezondheidszorg en huiver!
Daarom is het goed dat Hans Feenstra weer terug gaat naar het eerlijke ziekenhuiswerk. Mooi werk! Het Groninger Martini Ziekenhuis nog wel, dat is ontstaan uit een fusie van het Diaconessenhuis en het Rooms Katholieke Ziekenhuis. Wat een traditie, wat een historie, wat een kansen!
Als ik mij een advies mag verstouten, dan wist ik het wel. Geachte heer Feenstra, beste Hans: trap niet in de val die marktwerking heet, maar hou vast aan dat credo Gewoon Mensen Beter Maken. Ga geen strategische beleidsvisies ontwikkelen, ga niet fuseren, ga niet specialiseren, maar schop de kwaliteitsmanagers er uit en laat een handvol nonnen rondjes lopen door het gebouw. Binnen de kortste keren sta je bovenaan de AD-lijst!
Eerder gebpubliceerd in Dialoog, tijdschrift van De Friesland Zorgverzekeraar
Labels:
column,
de friesland zorgverzekeraar,
dialoog
Buurvrouw
Mijn buurvrouw praat in zichzelf. Niet gewoon, zoals we dat allemaal wel eens doen (toch?), maar ze voert hele gesprekken met iemand die er niet is. ’s Winters merk ik buurvrouw niet, maar een hele zomer lang hoor ik haar krakende stemgeluid over de heg.
‘Anneke, heb je ook zin in een cola? Dat staat wel in de deur van de koelkast’, roept ze dan vanuit de tuin naar binnen. Ik weet dat ze alleen woont. Er komen ook niet zoveel mensen, afgezien van de thuiszorg en heel soms haar zoon of haar dochter.
‘Nee, Anneke, die leverworst moet je niet meer gebruiken, daar heeft de kat aangezeten. Ik kan hier niks op het aanrecht laten liggen, of die katten zitten er aan.’
Familie, vrienden en kennissen, ze hebben allemaal de buurvrouw wel eens gehoord en ze hebben het er vaak drukker mee dan ik. De Buurvrouw is een begrip geworden bij iedereen die ons kent. Vaak beginnen mensen er over dat het onverantwoord is dat ‘zo iemand’ nog alleen moet wonen. Stel dat ze een keer vergeet het gas uit te draaien?
Ik weet het niet. Het zal toch ook wel een beetje meevallen? Eigenlijk weet ik verschrikkelijk weinig van psychische aandoeningen. Aan de andere kant bestempelen we iemand met het grootst mogelijke gemak tot psychisch patiënt. Lichamelijke problemen zijn in vergelijking zo gemakkelijk te herkennen en te behandelen: een gebroken pols met gips, een longontsteking met anti-biotica en Mexicaanse griep met tamiflu. Maar wanneer is iemand psychisch ziek of niet? En hoe behandel je zoiets?
Zo heel nu en dan praat ik met haar en dan komt ze heel redelijk over. Ze klaagt wel veel: over de buurt, de criminaliteit en haar slechte gezondheid, maar je merkt dan niks vreemds aan haar. Verder komt de thuiszorg er iedere week twee keer en als er iets niet goed gaat, grijpen zij toch wel in? Soms komt de huisarts - kwaaltjes genoeg - die zal haar hier toch niet laten zitten als het niet verantwoord is? Zo doen we dat toch in Nederland met mensen die niet goed meer voor zichzelf kunnen zorgen?
In de Volkskrant wordt geschreven over Albert uit Rotterdam. Albert is in de war, maar hij woont op zichzelf. Vaak gaat het goed, maar geregeld loopt hij naakt over straat. Wat erger is, soms loopt hij (naakt) met twee zwaarden over straat. Even geregeld wordt hij opgenomen en een tijdje met medicijnen behandeld, maar altijd ook komt hij weer terug naar huis. Dat is het beleid zegt de GGZ in Rotterdam: mensen zover krijgen dat ze weer naar huis kunnen. De buurt zit ermee in de maag. Tot nu toe ging het goed, maar wat als hij wel een keer brokken maakt?
Over mijn buurvrouw hoef ik me geen zorgen meer te maken. Twee weken geleden is ze opgehaald door een ambulance, deze week zijn haar zoon en dochter bezig het huis leeg te halen. Ik betrap mezelf erop dat ik opgelucht ben dat ik me geen zorgen meer hoef te maken, maar het zal ook wel een heel stille zomer worden.
Eerder gepubliceerd in Breinpower, wachtkamermagazine van de GGz Friesland
‘Anneke, heb je ook zin in een cola? Dat staat wel in de deur van de koelkast’, roept ze dan vanuit de tuin naar binnen. Ik weet dat ze alleen woont. Er komen ook niet zoveel mensen, afgezien van de thuiszorg en heel soms haar zoon of haar dochter.
‘Nee, Anneke, die leverworst moet je niet meer gebruiken, daar heeft de kat aangezeten. Ik kan hier niks op het aanrecht laten liggen, of die katten zitten er aan.’
Familie, vrienden en kennissen, ze hebben allemaal de buurvrouw wel eens gehoord en ze hebben het er vaak drukker mee dan ik. De Buurvrouw is een begrip geworden bij iedereen die ons kent. Vaak beginnen mensen er over dat het onverantwoord is dat ‘zo iemand’ nog alleen moet wonen. Stel dat ze een keer vergeet het gas uit te draaien?
Ik weet het niet. Het zal toch ook wel een beetje meevallen? Eigenlijk weet ik verschrikkelijk weinig van psychische aandoeningen. Aan de andere kant bestempelen we iemand met het grootst mogelijke gemak tot psychisch patiënt. Lichamelijke problemen zijn in vergelijking zo gemakkelijk te herkennen en te behandelen: een gebroken pols met gips, een longontsteking met anti-biotica en Mexicaanse griep met tamiflu. Maar wanneer is iemand psychisch ziek of niet? En hoe behandel je zoiets?
Zo heel nu en dan praat ik met haar en dan komt ze heel redelijk over. Ze klaagt wel veel: over de buurt, de criminaliteit en haar slechte gezondheid, maar je merkt dan niks vreemds aan haar. Verder komt de thuiszorg er iedere week twee keer en als er iets niet goed gaat, grijpen zij toch wel in? Soms komt de huisarts - kwaaltjes genoeg - die zal haar hier toch niet laten zitten als het niet verantwoord is? Zo doen we dat toch in Nederland met mensen die niet goed meer voor zichzelf kunnen zorgen?
In de Volkskrant wordt geschreven over Albert uit Rotterdam. Albert is in de war, maar hij woont op zichzelf. Vaak gaat het goed, maar geregeld loopt hij naakt over straat. Wat erger is, soms loopt hij (naakt) met twee zwaarden over straat. Even geregeld wordt hij opgenomen en een tijdje met medicijnen behandeld, maar altijd ook komt hij weer terug naar huis. Dat is het beleid zegt de GGZ in Rotterdam: mensen zover krijgen dat ze weer naar huis kunnen. De buurt zit ermee in de maag. Tot nu toe ging het goed, maar wat als hij wel een keer brokken maakt?
Over mijn buurvrouw hoef ik me geen zorgen meer te maken. Twee weken geleden is ze opgehaald door een ambulance, deze week zijn haar zoon en dochter bezig het huis leeg te halen. Ik betrap mezelf erop dat ik opgelucht ben dat ik me geen zorgen meer hoef te maken, maar het zal ook wel een heel stille zomer worden.
Eerder gepubliceerd in Breinpower, wachtkamermagazine van de GGz Friesland
Zorg is emotie
Minister Klink van Volksgezondheid is een modelpatiënt. Voor zijn zieke vader ging hij net zolang op zoek naar het beste ziekenhuis, tot hij het gevonden had. Anders dan ikzelf: de ooroperatie van mijn dochtertje gebeurt gewoon in het dichtstbijzijnde ziekenhuis bij die aardige KNO-arts. Geen gedoe.
Waar minister Klink de tijd vandaan haalt om op zoek te gaan naar een ziekenhuis is mij trouwens een raadsel. Niet alleen heeft de man een baan met het imago dat je het daarmee beestachtig druk hebt, als patiënt heb je tegenwoordig bijna een dagtaak aan het maken van keuzes in de zorg. Kies ik voor preferente geneesmiddelen, of betaal ik bij voor een merkpil? Is er een huisarts met specifieke kennis van mijn specifieke kwaal? Welk ziekenhuis heeft welke wachtlijst? Om nog maar niet te spreken van het kijk-en-vergelijk-feest dat de zorgverzekeraars sinds enkele jaren voor ons organiseren. Vind maar eens uit hoe de inhoud van de aanvullende pakketten van elkaar verschillen en probeer dan de kosten maar eens te vergelijken. Je komt er niet uit.
In een zorgwereld die door marktwerking steeds zakelijker wordt, spelen burgers zolangzamerhand voor spelbreker. Overheid, zorgverzekeraars en patiëntenorganisaties dwingen bij zorginstellingen grotere transparantie af. laat maar eens zien wat je waard bent als ziekenhuis. Hoe worden onze dure premie-euro’s eigenlijk besteed? Hoe is de kwaliteit van je zorg?
Met de invoering van de Zorgverzekeringswet zou dat allemaal voor elkaar komen. Daar was de hele zorgsector het over eens, ook de patiëntenorganisaties. Meer keuzemogelijkheden betekent immers meer eigen regie. Patiënten die over de zorg niet tevreden zijn, gaan wel naar een andere zorgverzekeraar. Stemmen met de voeten werd dat genoemd, weet u nog?
Nu, na drie jaar Zorgverzekeringswet blijkt uit onderzoek dat zes op de tien Nederlanders heimwee hebben naar het ziekenfonds! Spelbrekers! Nu blijkt dat ziekenhuizen die slechte rapportcijfers scoren, niet minder patiënten trekken. Dat was nu juist wel het idee, spelbrekers! Zelfs het IJsselmeerziekenhuis, waarvan de operatiekamers door de inspectie gesloten werden, wordt met een heuse actie van Lelystedelingen de hand boven het hoofd gehouden: het is een slecht ziekenhuis, maar het is wel óns slechte ziekenhuis.
Ach ja, die onberekenbare en emotionele burger. Verliefd op dat kleine ziekenhuisje in Dokkum. Daar wordt je pas goed geholpen. Tegelijk scoort dat grote, onpersoonlijke ziekenhuis in Leeuwarden veel lager. Wat veel van die mensen die deze scorelijstjes invullen niet weten, is dat de specialisten in Dokkum een groot deel van hun tijd ook specialist zijn in …. Leeuwarden! Wat in Leeuwarden wel eens de verzuchting oplevert dat patiënten liever doodgaan bij een aardige arts in Dokkum, dan worden genezen bij een hork van een dokter in Leeuwarden!
Dus is het begrijpelijk dat zorgverzekeraars op die emotie inspelen. Een doorsnee reclamecampagne van een zorgverzekeraar vertelt je dan ook dat de verzekering zo eenvoudig is af te sluiten, dat je daarna alle zekerheid hebt die je je kunt wensen en dat het daar niet bij blijft, want er is ook aandacht voor uw gezondheid. Voel je thuis bij ons, want we zitten dichtbij. Het is allemaal emotie en als alle zorgverzekeraars inzetten op die emotionele kant, dan kunnen ze geen ongelijk hebben.
Zul je zien dat de calculerende burger toch kiest voor de laagste premie. Spelbreker!
Eerder gepubliceerd in Dialoog, tijdschrift van De Friesland Zorgverzekeraar
Waar minister Klink de tijd vandaan haalt om op zoek te gaan naar een ziekenhuis is mij trouwens een raadsel. Niet alleen heeft de man een baan met het imago dat je het daarmee beestachtig druk hebt, als patiënt heb je tegenwoordig bijna een dagtaak aan het maken van keuzes in de zorg. Kies ik voor preferente geneesmiddelen, of betaal ik bij voor een merkpil? Is er een huisarts met specifieke kennis van mijn specifieke kwaal? Welk ziekenhuis heeft welke wachtlijst? Om nog maar niet te spreken van het kijk-en-vergelijk-feest dat de zorgverzekeraars sinds enkele jaren voor ons organiseren. Vind maar eens uit hoe de inhoud van de aanvullende pakketten van elkaar verschillen en probeer dan de kosten maar eens te vergelijken. Je komt er niet uit.
In een zorgwereld die door marktwerking steeds zakelijker wordt, spelen burgers zolangzamerhand voor spelbreker. Overheid, zorgverzekeraars en patiëntenorganisaties dwingen bij zorginstellingen grotere transparantie af. laat maar eens zien wat je waard bent als ziekenhuis. Hoe worden onze dure premie-euro’s eigenlijk besteed? Hoe is de kwaliteit van je zorg?
Met de invoering van de Zorgverzekeringswet zou dat allemaal voor elkaar komen. Daar was de hele zorgsector het over eens, ook de patiëntenorganisaties. Meer keuzemogelijkheden betekent immers meer eigen regie. Patiënten die over de zorg niet tevreden zijn, gaan wel naar een andere zorgverzekeraar. Stemmen met de voeten werd dat genoemd, weet u nog?
Nu, na drie jaar Zorgverzekeringswet blijkt uit onderzoek dat zes op de tien Nederlanders heimwee hebben naar het ziekenfonds! Spelbrekers! Nu blijkt dat ziekenhuizen die slechte rapportcijfers scoren, niet minder patiënten trekken. Dat was nu juist wel het idee, spelbrekers! Zelfs het IJsselmeerziekenhuis, waarvan de operatiekamers door de inspectie gesloten werden, wordt met een heuse actie van Lelystedelingen de hand boven het hoofd gehouden: het is een slecht ziekenhuis, maar het is wel óns slechte ziekenhuis.
Ach ja, die onberekenbare en emotionele burger. Verliefd op dat kleine ziekenhuisje in Dokkum. Daar wordt je pas goed geholpen. Tegelijk scoort dat grote, onpersoonlijke ziekenhuis in Leeuwarden veel lager. Wat veel van die mensen die deze scorelijstjes invullen niet weten, is dat de specialisten in Dokkum een groot deel van hun tijd ook specialist zijn in …. Leeuwarden! Wat in Leeuwarden wel eens de verzuchting oplevert dat patiënten liever doodgaan bij een aardige arts in Dokkum, dan worden genezen bij een hork van een dokter in Leeuwarden!
Dus is het begrijpelijk dat zorgverzekeraars op die emotie inspelen. Een doorsnee reclamecampagne van een zorgverzekeraar vertelt je dan ook dat de verzekering zo eenvoudig is af te sluiten, dat je daarna alle zekerheid hebt die je je kunt wensen en dat het daar niet bij blijft, want er is ook aandacht voor uw gezondheid. Voel je thuis bij ons, want we zitten dichtbij. Het is allemaal emotie en als alle zorgverzekeraars inzetten op die emotionele kant, dan kunnen ze geen ongelijk hebben.
Zul je zien dat de calculerende burger toch kiest voor de laagste premie. Spelbreker!
Eerder gepubliceerd in Dialoog, tijdschrift van De Friesland Zorgverzekeraar
Labels:
column,
de friesland zorgverzekeraar,
dialoog
Abonneren op:
Posts (Atom)


