maandag 19 april 2010

Heeft de thuiszorg een toekomst?

Maandenlang had het nieuws de media beheerst: Thuiszorg Amsterdam stond op de rand van de afgrond, de bestuurder had een buitensporige gouden handdruk meegekregen en Cordaan moest de reddende hand bieden. Eind 2008 had Fryslân zijn eigen kwestie. Samenzorg gooide de handdoek in de ring.

Directeur Peter Visch was de helpende hand toegestoken nadat de banken geweigerd hadden opnieuw krediet beschikbaar te stellen. De helpende hand kwam van de Kwadrantgroep die eind oktober bereid bleek de salarissen van de medewerkers uit te betalen. Het was het effectieve einde van de thuiszorgorganisatie. De zaak werd opgedeeld en ondergebracht bij Thuiszorg De Friese Wouden.

Het leverde een artikel op in de Leeuwarder Courant, maar verder verdween Samenzorg vrij geruisloos van het toneel. Al enkele jaren gonsde de Friese zorgsector van de vraag of in er thuiszorgorganisaties failliet zouden gaan, of zoals dat in jargon heet: omvallen.

Toch was het omvallen van Samenzorg nog voor velen een verrassing. Niet in de laatste plaats voor Peter Visch zelf. In september aangetreden als directeur bleek het nog niet zo eenvoudig alle cijfers bij elkaar te krijgen. Toen dat uiteindelijk wel gelukt was stond de teller op rood en binnen de kortste keren stond Visch zijn personeel in het Thialfstadion over een naderend faillissement te woord: ‘wat je ook doet als je morgen bij je klanten binnenkomt, laat je hoofd niet hangen, want als onze klanten het vertrouwen in ons verliezen, hebben we helemaal niets meer’.

Het blijft een wonderlijke zaak dat de hele Friese zorgsector zat te wachten op het omvallen van één of meer thuiszorgorganisaties, maar dat niemand op Samenzorg leek te letten. De organisatie is opgedeeld en verschillende onderdelen zijn op verschillende plekken ondergebracht.

‘Thuiszorginstellingen zijn in veel gevallen door fusies erg groot geworden. Daardoor zijn ze ook lastiger te besturen.’ Jelle Boomgaardt, manager van het Zorgkantoor Friesland, analyseert met een zekere Hollandse nuchterheid.

‘De AWBZ is stabiel. Groei van de zorgvraag is redelijk goed te voorspellen en bij te benen. Het is vast geld voor zeker werk. De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is echter van een heel ander laken een pak. Daarbij moesten de thuiszorginstellingen meedoen in de aanbesteding en dat bleek veel minder stabiel. Ik kan en wil daar geen oordeel over uitspreken, maar er is of te laag geoffreerd door de instellingen, of de gemeenten betalen te weinig voor de zorg; feit is dat de thuiszorginstellingen in ruw vaarwater zijn terechtgekomen en velen waren dar niet goed op voorbereid’.

Na de integratie van de gezinsverzorging en het kruiswerk ontstonden in Fryslân drie grote thuiszorginstellingen: Thuiszorg Zuidwest Friesland (ZWF)in Sneek, Thuiszorg De Friese Wouden (TFW) in Drachten en Thuiszorg Het Friese Land (THFL) in Leeuwarden. Ieder had een eigen verzorgingsgebied, ZWF in - zoals de naam al aangeeft - in de zuidwesthoek van de provincie, TFW in de zuidoosthoek en THFL alles boven de lijn Harlingen - Leeuwarden - Buitenpost.

Rond de eeuwwisseling ontstonden er echter nieuwe thuiszorgaanbieders. Sommige vroegen een AWBZ erkenning aan, maar er waren ook kleine organisaties - soms zelfs eenpersoonsbedrijfjes - die op basis van financiering vanuit een Persoonsgebonden Budget (PGB) gingen werken.

Daar bleef het ook niet bij: veel AWBZ-instellingen als verzorgingshuizen en gehandicapteninstellingen beperkten zich niet langer tot intramurale zorg, maar gingen ook zorg aan huis leveren.

Zo lag het werkveld erbij toen in 2007 de Wmo werd ingevoerd. De eenvoudige Huishoudelijke Hulp (HH1) was voortaan de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Zij konden via aanbesteding de keuze maken wie deze zorg mocht gaan uitvoeren, per gemeente. Deze nieuwe werkwijze is in lijn met de wens van achtereenvolgende regeringen om meer marktwerking in de zorg van de grond te krijgen. Dat leverde eerder concurrerende zorgverzekeraars op, die hun reserves aanspraken om een zo laag mogelijke premie mogelijk te kunnen maken. Niet iedere verzekeraar kon dat lang volhouden en een golf van fusies deed het aantal zorgverzekeraars vlot teruglopen.

Ook de marktwerking in de thuiszorg leverde de nodige problemen op. Met name bij de aanbesteding door de samenwerkende gemeenten in Noordwest-Fryslân. Thuiszorgmedewerksters van de ‘verliezende’ partij Het Friese Land protesteerden in tot in Den Haag, tegen mogelijk ontslag en Het Friese Land vocht - met succes de gunning in de regio aan.

Kinderziektes en aanloopproblemen? Tegenwoordig is Peter Visch directeur van het aan Zorgkwadrant gelieerde Zorggarant, maar dat betekent niet dat hij nu in rustig vaarwater terecht is gekomen.

‘Zorggarant werkt in Noordoost Nederland in acht zorgkantoorregio’s van vier verschillende zorgkantoren en veertig gemeenten. Ze hebben allemaal hun eigen aanbestedingsregels en bestekken. Houd het maar eens bij’.

Eind november 2009 publiceerde Zorgbelang Fryslân het boekje "Heeft de thuiszorg een toekomst?". Daarin wordt aan de hand van interviews met professionals uit de zorgsector een beeld geschetst van de huidige gang van zaken en een aanzet gegeven voor een toekomstvisie.

Het boekje is te downloaden via de website van Zorgbelang Fryslân (058 2159222).

"Nettsjinsteande alle oandacht fiel ik my iensum"

Yn de tiid fan de Twadde Wrâldoarloch wie Van der Meulen boerefeint en in soad op it fjild. Noch hieltyd mei er graach nei bûten mei de elektryske skoeter. In stikje te riden nei Boksum of Wytgaard.

“Ik mei sa graach eefkes nei de Intratuin of by de winkeltsjes yn it sikehûs lans. Dat is myn libben op it eagenblik.”
De gemeente hat lykwols de oanfraach foar in elektryske skoeter fan Van der Meulen ôfwiisd, dat Van der Meulen hat syn sparsinten brûkt om der sels mar ien te keapjen.

It earste dat Van der Meulen op it aljemint bringe wol is syn soarch. “Der is praat fan dat dit allegear ôfbrutsen wurde sil. Dan wurdt der op ‘e nij boud. Ik hoopje net dat ik dat noch mei meitsjen hoech.”

“Ik ha it hjir poerbêst, ik ha gjin soarch om it iten, it is lykwols net sa wy it froeger went wiene. It iten wurdt om sa mar te sizzen yn den lande klearmakke, dan wurdt it hjir nei it sikehûs brocht en fan dêr út ferspraat oer ferskillende ynstellings yn de provinsje. Dus ik krij wol altiten waarm iten en it is ek wol te iten, mar ik sit hjir no seis jier en in slaadblêdsje ha ik noch nea hân. De spinaazje is altyd à la crême, want blêdspinaazje, dat sjogge je hjir net. No ja, dêr moat je mar wat oer hinne sjen.

“Alle minsken dy’t hjir sitte hawwe in ferhaal. Lit ik dat no eefkes goed fertelle. Myn frou is al tweintich jier ferlern ferstoarn. Ik ha dêrnei noch in moaie tiid hân mei in freondinne, mar dy is no ek al wer trije jier ferlyn weirekke en dan sitst allinnich. Ik fiel my nettsjinsteande dizze minsken, nettsjinsteande alle oandacht fiel ik my iensum. Je dele net mear mei inoar.”

“Myn fuotten binne stikken. Ja, sa sis ik dat mar. Ik bin yn de jierren santich ôfkeurd om de fuotten. Dokter hat ek sein, ‘Van der Meulen, wy kinne der neat mear oan dwaan’.
Van der Meulen mocht graach biljertste en dat die dat ek in soad, mar kin no op de fuotten net stean en meidwaan. Hy lit syn oanpaste skuon sjen en fertelt fan de pedikuere, dy’t der geregeld mei oan de gong moat.”

Yn it petear mei de meiwurker fan de gemeente waard frege oft Van der Meulen in elektryske skoeter perfoarst nedich hie. Neffens himsels wol, om der út te kommen, mar de meiwurker woe witte oft Van der Meulen der ek boadskippen mei helle moast. Van der Meulen andere earlik en sei dat er syn boadskippen yn it winkeltsje ûnder yn it hûs helle. De oanfraach waard ôfwiisd.

“Jo kinne jo net mear rêde, se moat jo helpe mei de klean en wit ik wat, al dy dingen, ik kin dat allegear net mear sels. Ja, ferlike by in protte minsken hjir yn ‘e hûs kin ik my wol rede, mar ik rin net mear nei bûten ta. Wol mei de skoeter. Dat is myn wrâld.”


Dit is deel 8 in een serie portetten die is gemaakt in het kader van het project Van Monoloog naar Dialoog, dat in 2007 en 2008 werd uitgevoerd door Zorgbelang Fryslân. Het project had tot doel om personeel en bewoners van verzorgingshuizen met elkaar in gesprek te brengen

In het kader van dat project zijn negen bewoners van verzorgingshuizen geïnterviewd. Zij vertellen iets over hun ervaringen in een zorgcentrum. Wat het betekent om niet meer zelfstandig te wonen, maar verzorgd te worden, waar ze tevreden over zijn, wat ze missen. Op die manier ontstaat een aardig inzicht in wat deze mensen belangrijk vinden.

Dokterswacht: altijd eerst even bellen....

“Het wijkt”. Ik weet niet of het Algemeen Beschaafd Nederlands is, maar bij ons in de familie wordt het gebruikt om een wond te beschrijven, waarbij de huid dusdanig is geopend dat een hechting noodzakelijk lijkt.

“Het wijkt”, zegt mijn neef terwijl hij de wond op het voorhoofd van mijn tweejarige zoontje bekijkt. Als zijn vrouw en mijn vriendin geschrokken de keuken binnengekomen zijn, is hun conclusie snel getrokken: “het wijkt”.

Iedere ouder heeft het wel eens meegemaakt, je kind dat een gat in het hoofd valt. Mijn zoontje dacht op die zondag dat hij de laatste tree van de ladder uit de boomhut bereikt had en draaide zich om om voet op vaste grond te zetten. Die grond was echter nog een tree verder naar beneden. Met een zwaai zag ik hem met zijn hoofd op de rand van een bloempot vallen.

Ik probeer doortastend op te treden. “We gaan naar de Dokterswacht, want het wijkt. Als jullie naar de Dokterswacht bellen, rijden wij er vast naar toe”.
“U had eerst even moeten bellen”, zegt de dame achter de balie van de Dokterswacht.
“Maar er is toch gebeld, door onze vrienden?”
“Ja, maar dat is niet de bedoeling. U moet eerst bellen en dan kunnen wij u instructies geven. Het kan bijvoorbeeld zijn dat het heel druk is en dat we u vragen iets later te komen”.

Even weet ik niets te zeggen. Ik ben niet van het type dat stennis schopt in een ziekenhuis en verder ben ik van deze mensen afhankelijk. Mijn zoontje heeft een hechting nodig. Het laatste wat ik nu wil is een doktersassistente tegen de haren instrijken. Het enige dat ik er tegen in weet te brengen is een voorzichtig “maar het wijkt”.

Ik ben niet vaak bij de Dokterswacht, maar iedere keer dat ik er ben is de wachtkamer vol. Ook deze keer. Toch zitten we nog maar net als we tot opluchting van onszelf en irritatie van anderen, direct binnengeroepen worden.
Ik zie daarin erkenning van de Dokterswacht dat het goed is dat we direct gekomen zijn. Een peuter met een bloedend hoofd laat je niet wachten. Dat heb ik toch maar goed ingeschat. En daarbij, het wijkt.

De Dokterswacht bezwijkt onder haar eigen succes. Zoveel mensen bezoeken in de avond, nacht en het weekend de Dokterswacht, dat men een publiekscampagne gestart is. De Dokterswacht is er volgens de TV-spotjes alleen voor zaken die niet kunnen wachten tot de eigen huisarts weer bereikbaar is. En: altijd eerst even bellen.

Lastig hoor. In andere onderdelen van de gezondheidszorg wordt bevorderd dat mensen bewust kiezen voor hulpverleners die goede kwaliteit leveren. Niet tevreden over uw zorgverzekeraar? Stem met uw voeten en ga naar een ander. De meest ervaren oogarts werkt in een ziekenhuis vijftig kilometer verderop? Dan laat u het ziekenhuis om de hoek toch mooi links liggen?

De mogelijkheid is er wel, maar er wordt niet veel gebruik van gemaakt. Ieder jaar stapt slechts een handjevol mensen over naar een andere zorgverzekeraar en de meeste mensen laten zich gewoon opereren in het ziekenhuis om de hoek.
Nee, dan de huisartsenzorg. Daar hebben patiënten een duidelijk signaal gegeven: ze willen een huisartsenzorg à la de Dokterswacht, maar wat krijgen we er voor terug? Een publiekscampagne om patiënten op afstand te houden. Om een kloof in stand te houden.

Of, zoals we dat bij ons in de familie zouden zeggen: “het wijkt”.


Eerder gepubliceerd in Dialoog, tijdschrift van De Friesland Zorgverzekeraar